In een van de telefonische gesprekken van afgelopen weken spreek ik een cliënt die vraagt om een pas voor aanvullend openbaar vervoer met de specificatie ‘alleen reizen’.

Als ik hem vraag wat zijn vervoersbehoefte is legt hij uit dat hij de taxi niet zal bellen voor sociale uitjes, maar alleen om mee naar het ziekenhuis te gaan. Ik leg uit dat de Wmo voorzieningen daar niet voor bedoeld zijn en vraag of het echt alleen voor naar het ziekenhuis is. Ik hoor hem nadenken…
“Ja”, antwoordt hij dan, “want dat moet en de rest niet”.
“De rest?” vraag ik.
“Ja, gezellige uitjes, naar de markt enzo of bij vrienden op bezoek of om in een museum te kunnen komen of gewoon eens in een andere winkel dan die hier om de hoek. Dat doe ik al heel lang niet meer, maar dat accepteer ik wel. Ouder worden is inleveren. Niet meer overal naar toe kunnen is daar een van.”
“Zou u nog wel een keer naar de markt willen? Of op bezoek bij vrienden? Naar een musea? Artis?”
“Nou……………….. eeeeeeeeeeehm……..” het is even stil.
“…?
“Heel graag ja!”, vervolgt de man “Maar dat hoeft niet, he? Dus dat kan ik niet van de gemeente vragen. Ik kan ook leven zonder die uitjes. ” en hij voegt hier wat lachend aan toe dat hij alleen niet in leven blijft als hij niet meer naar de dokter gaat, dus dat hij dacht dat die pas juist daar in zou voorzien. Niet voor de fun, maar voor de must.

Ons gesprek meandert vervolgens langs de bedoeling van de Wet maatschappelijke ondersteuning en wat het inhoudt om mee te kunnen doen aan de maatschappij en via het belang van sociale contacten voor de kwaliteit van leven naar het belang van kwaliteit van leven voor de kwantiteit daar weer van.

Ik hoor aan de andere kant van de lijn een wereld opengaan. Nog een beetje onwennig, maar ik hoor het gewoon gebeuren.

Vervolgens vraag ik hem wat de reden is dat hij alleen wil reizen.

Dat blijkt vanwege Corona te zijn.

De man begrijpt goed dat de vervoerder zelf zijn maatregelen moet nemen en dat er voorlopig geen sprake is van gezellige uitjes, waarmee wij weer terugkomen bij het begin van het gesprek, want ja, wat nu moet, dat moet en wat niet hoeft dat doen we niet. Nu niet. Straks hopelijk weer wel. En dan kan hij heel goed met anderen reizen. “Gezellig juist!”, voegt hij nog toe.

En ik hoop dat deze man nog heel veel tijd krijgt om zijn pas in te zetten in het leven na corona, want later die dag krijg ik een mail van onze centrale administratie met het verzoek om meneer nog even terug te bellen. In dat gesprek bedankt hij me, omdat ik hem heb geholpen weer een lichtje te zien in de duisternis van de beperkte mobiliteit in een wereld die harder gaat dan hij kan bijbenen en waarin het ook op zijn leeftijd niet alleen hoeft te gaan over wat persé noodzakelijk is, maar ook over wat wenselijk.

Snotver, wat heb ik toch mooi werk.

Sandra
Wmo adviseur

Meer verhalen van over de drempel, achter de schermen en aan de keukentafel lezen?
Check ‘O, dus dát is Wmo!’. Hét boek over maatschappelijke ondersteuning in de praktijk,
waarin ik je mee op pad neem naar achter de voordeur,
daar waar de mensen wonen om wie het gaat.

Direct bestellen kan hier …