Afgelopen weekend was er een uitzending in het programma Kassa* met een item over zogenaamde ‘overbelaste mantelzorgers’ waar ik met kromme tenen naar heb zitten kijken. Ze gooiden alle begrippen door elkaar waardoor de term mantelzorg een soort van containerbegrip werd en de verwarring alom groot – groter – grootst werd.

Want wat is nou eigenlijk een mantelzorger? En wanneer is dat het niet?

Het zit zo…

Een mantelzorger is iemand die op geheel vrijwillige basis iets voor een ander doet. Gewoon omdat ie lief is. En nee, als mijn buurvrouw een bakkie soep komt brengen als ik ziek ben is zij nog niet presé mijn mantelzorger. Dan is dat mijn lieve buurvrouw die een bakkie soep komt brengen. Zou ze 5 dagen in de week voor mij koken omdat ik dat niet meer kan, ja, dan wordt het iets anders. Dat zou ik dan wel mantelzorg noemen.

Zoals een buurvrouw van een van mijn oma’s deed, toen mijn oma zelf niets meer kon. Iedere dag kwam ze een potje eten brengen. Ze verschoonde de kattenbak, haalde boodschappen en stofte de boel af. Er bestond toen nog geen naam voor en er was al helemaal niet zoiets als de Wmo*. Die buurvrouw had gewoon een gouden hart.

En stel nou dat dit heden ten dage zou zijn en stel dat de buurvrouw dat niet meer zou kunnen doen (omdat ze bijvoorbeeld overbelast was geraakt van al dat gezorg voor mijn oma naast haar eigen bedoeninkje) dan had mijn oma een maaltijdenservice kunnen inzetten of een magnetron kopen en kant en klaar maaltijden laten thuisbezorgen door een supermarkt. Niet voor iedereen staat een mantelzorger klaar. Gelukkig zijn er wel voor iedereen andere oplossingen te bedenken.

Mantelzorg is liefdewerk. Voor iemand die je kent en met wie je niet samenwoont. Ouders zijn dus géén mantelzorgers zoals het tv-item impliceerde. Ouders zijn ouders. Net als dat partners partners zijn. En net als dat kinderen kinderen zijn. Ouders, partners en kinderen helpen elkaar. Dat is gebruikelijk. Daarom heet dat ook gebruikelijke hulp.

Gebruikelijke hulp is dus iets anders dan mantelzorg. Gebruikelijke hulp is bijvoorbeeld niet vrijblijvend, want hoort er nu eenmaal bij als je een gemeenschappelijk huishouden voert als ouder, partner of kind van. Gebruikelijke hulp gaat niet over ‘zorg’, maar over het overnemen van een gebruikelijke taak omdat de ander het niet kan. Als ik samenwoon (met een volwassene) en ik kan niet stofzuigen dan doet de ander dat. Net als dat de ene beter is in het beheren van de financiën of het bijvullen van de cv-ketel en de ander lekkerder kan koken of makkelijker een moeilijk telefoontje pleegt en je die taken ook verdeelt op basis van mogelijkheden (en talent).

Gebruikelijke hulp is of je nu alleen voor jezelf het huis poetst of voor jezelf én je partner (of kind of ouder). Ouders bieden gebruikelijke hulp door hun kind eten te geven en partners door niet alleen hun eigen helft van de toiletpot te poetsen. Dat is niet iets dat je op een dag kunt vervangen door ondersteuning vanuit de Wmo omdat het je teveel wordt. Wanneer je wél kunt vragen om gebruikelijke taken te laten ondersteunen vanuit de Wmo is als je het ook samen allemaal helemaal niet meer kunt. Als er eentje ziek is en de ander vervolgens ook. Langdurig. Als er geen mantelzorg is en als voor de hand liggende voorzieningen (zoals een maaltijdservice enzo) geen soelaas bieden.

Het principe van sociale wetten is namelijk dat ze een vangnet bieden voor hen die in het leven van alledag zijn omgevallen. Of, zoals één van mijn opleiders altijd mooi zei: “Sociale wetten zijn een vangnet, geen hangmat.

Het principe van de Wet maatschappelijke ondersteuning* is dat het zelfs een vangnet is van waaruit je weer opveert. Een trampoline dus, zoals een collega dit laatst noemde. Met die trampoline veer je terug in dat leven van alledag.

Met een rolstoel kun je opeens weer door je eigen huis naar je eigen wc of zelfs een rondje over de markt als je dat leuk vindt. Met een scootmobiel kun je opeens weer op bezoek bij je vriendin een wijk verderop of mee op pad met scootmobielenclub. Met hulp in het huishouden kun je opeens tóch nog thuis blijven wonen. Met een beetje ambulante ondersteuning leer je de draad weer oppakken of de weg kennen naar het buurthuis, de vrijwilligerscentrale, de club voor meer bewegen voor ouderen, zodat je wat aan je sociale contacten kunt werken en niet meer zit te vereenzamen.

Dat vangnet hangt onderaan de slurf waar je doorheen gaat als je bent omgevallen. Je komt in dat net terecht als je geen eigen kracht hebt, er geen gebruikelijke hulp en ook geen mantelzorg voor je is en de voor de hand liggende voorzieningen geen oplossing bieden. Vanuit dat net moet je een stukje opveren, zodat je verder kunt. Zoveel mogelijk verder op eigen kracht.

Dát is de bedoeling van de Wmo. De Wmo geeft je een duwtje in de rug, een zetje omhoog.

Prachtig bedacht, niet?

En even voor de goede orde: mantelzorg wordt nooit financieel beloond, want liefdewerk wordt nu eenmaal niet betaald. Als een mantelzorger wél betaald wil worden voor de geleverde diensten heet het geen mantelzorg meer. En yep, je mag als mantelzorger best geld vragen aan degene die jij steeds naar het ziekenhuis heen en weer rijdt en yep, dan kán diegene die steeds heen en weer moet worden gereden naar het ziekenhuis daar een Pgb voor aanvragen. Het hoeft niet, maar mag wel*.

Maar dan moet je er niet chagrijnig worden als we dan eerst nog wél even onderzoeken of er niet iets vóór dat vangnet ligt dat de val kan breken en iemand terug kan doen veren. In dit geval bijvoorbeeld aanvullend openbaar vervoer, je weet wel, zo’n busje voor mensen die niet meer met het gewone openbaar vervoer kunnen reizen, maar in staat zijn om in een busje te reizen als ze voor de deur opgehaald en weer afgezet worden.

Wat je onder mantelzorg en ‘dat doe je toch voor een ander?’ vindt vallen (en waar je vindt dat het liefdewerk overstijgt en er aanspraak op budget gemaakt zou moeten kunnen worden om betaald te worden voor verleende diensten) is voor iedereen anders.

Af en toe vraag ik maar gewoon aan de ondersteuners hoe ze het zien, waar voor hen de grens ligt en waarom. En zo kwam ik laatst in een alle-machtig prachtig mooi gesprek terecht met ‘een zoon van’. Zo’n man met zijn hart op de juiste plek en heel veel liefde voor zijn ouders, maar ook een eigen gezin en een eigen schoorsteen die moet roken en dus spraken we over een mix van dit alles.

Omdat we nog wat informatie moesten uitwisselen kreeg ons gesprek een mail-staartje. In mijn bericht bedankte ik hem voor het fijne gesprek en ook voor alles wat hij voor zijn ouders doet. “Dat is goud waard“, schreef ik.
En toen?
Toen mocht ik dit ontvangen:
Het was een heel prettige gesprek met u en u heeft me hoop gegeven om door te zetten” (deze mantelzorger staat echt op instorten). “U heeft de situatie heel goed begrepen en dat waardeer ik enorm. Grote dank! Ook namens mijn ouders…”

Daar doe ik het voor en daarvoor hebben we de dag van de mantelzorg* in het leven geroepen*. Om deze mensen te supporten, zodat ze door kunnen. Omdat we niet zonder ze kunnen.

Sandra
Wmo adviseur

© de Wmo adviseur

Wil je je laten verrassen, raken, inspireren, aan het lachen maken én je blik verfrissen door mee te kijken door de bril van de Wmo adviseur in het werk van alledag, dat nooit alledaags is, omdat ieder mens anders is en Wmo altijd maatwerk? Check ‘O, dus dát is Wmo!’. Hét boek over maatschappelijke ondersteuning in de praktijk, waarin ik je mee op pad neem naar achter de voordeur, daar waar de mensen wonen om wie het gaat.

Direct bestellen kan hier …

Wil je iedere maand inspiratiemail in je box én op de hoogte blijven van de ontwikkelingen van ‘O, dus dát is Wmo!’ 2.0 #verhalenvandoordetelefoon?
Schrijf je dan in voor de Kleine Kolibrief (no spam)